Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik met haar geweest ben die enkele glorieuze nachten van onze wandelingen. In dien eersten nacht heeft zij mij rekenschap gevraagd, voor goed, en geëischt dit, wat ik nu ga doen. Al zou ik nu jaren lang gezwegen hebben, ééns had ik toch gesproken.

Wie ben ik, dat ik den moed heb tot dit. 'k Ben niemand, maar ben nu hier om de laatste triumfen te vieren van haar jeugd, die niet in vervulling gaan zou. Misschien ben ik laat, te laat gekomen in mijn vereering voor haar — neen, hoor, neen, zegt zij — maar zij heeft mij het woord gegeven, dat ik er de volle maat van heb gehad. Zij heeft mij, Ö6k in dien nacht de vergiffenis geschonken, die alleen zij mij geven kon. In de onmetelijkheid van haar berusting en van haar kracht, heeft zij slechts tot dit ééne moeite gedaan: dat ik haar dood verdragen zou. Dat ik sterk zijn zou. Ja, want zoo groot was haar moed, dat zij mij, stervend, op het leven gewezen heeft na haar dood. Vanaf het oogenblik, dat zij zeker wist, dat zij sterven ging, zijn al haar woorden een bemoediging geweest, een opdracht tot het leven, dat zij in mij vermoedde, dat zij in mij opriep. Zij heeft in haar berusting, in haar verstomd zwijgen zonder klacht, 'n hardheid in mijn ziel gelegd, die, zei zij troostend, ik behoefde tot het leven. Met deze ééne voorwaarde, dat 'n illusie dood is, dat ik 'n moord verricht aan één vreugde in mijn

Sluiten