Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't deelgenootschap aan dit menschenleven, 't innerlijk-zóó-zijn-als-hij. Wat de overgave aan dien God van haar maken kan, dat staat haar voor den geest als het heil, de zaligheid. Hij vraagt haar vertrouwen, Hij noodigt haar onder Zijn hoede, onder Zijn leiding.

Maar nog nader komt Hij haar. Zijn noodiging vernemen is haar niet genoeg. Zij moet die noodiging kunnen volgen. En dat kan zij niet. Zij voelt zich gebonden, geboeid. Zij voelt zich opgesloten als in een kerker van zondig-zijn. Mooi vinden kan zij het land van reinheid en vrede, dat haar wenkt. Zij kan 't begeeren, nu en dan er de armen naar uitstrekken met smachtend verlangen. Maar zij kan zichzelf niet loswinden uit de banden, die haar omstrikken. Zij kan haar vleugels de kracht van wil niet geven om haar daaruit op te heften en over te vliegen de klove, die haar scheidt van dat land. Als Jezus ons wenkt om achter Hem te komen in 't leven, dat bij den Vader is, dan slaan wij een blik naar binnen, en weren hem af met het woord: „Ga weg van mij, want ik ben een zondig mensch". Maar dan hebben wij het menschenleven, waarin

Sluiten