Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In bovenbedoelde artikelen nu, wordt ons eene principiëele uiteenzetting van alle hiermede samenhangende vraagstukken toegezegd.

Reden te over om deze laatste reeks van opstellen over „de Gemeene Gratie," in de Heraut met bijzondere ingenomenheid te begroeten.

Wij zouden dan ook, met een woord van dank, tot het onderzoek en de bespreking van bovenbedoelde opstellen kunnen overgaan, indien niet een en ander in den aanhef van de verhandeling onze aandacht had getrokken, waaruit onmiddelijk bleek dat de schrijver arbeidt met beginselen en begrippen, die men op zuiver Gereformeerd standpunt niet zonder meer voor de aangegeven waarde mag accepteeren.

De schrijver, dit is het eerste dat ons opvalt, heeft zich voorgenomen te spreken over do Kerk en (Ie Staat.

Het begrip „Staat" wordt in de nadere uiteenzetting, door het begrip „Overheid" vervangen en hierdoor op de lijn van Art. XXXVI gebracht, maar het begrip „Kerk" breidt den gezichtskring uit tot de Artikelen XXVII—XXXV van onze Ned. Geloofsbelijdenis.

Dit staat hem wellicht vrij.

Maar het staat hem niet vrij anderen aan deze volgorde te binden.

Vooral niet nu het eigenlijk bezwaar tegen de opvatting des schrijvers op het terrein van Artikel XXXVI ligt.

Immers, indien en voorzoover het nog dieper ligt is het alles behalve gewenscht het zóó hoog op te halen, aangezien het thans niet te doen is een verschil te constateeren maar om zoo mogelijk tot overeenstemming te geraken.

Te minder, omdat men hier te doen heeft met dezelfde verflauwing der grenzen, die zoowel op het terrein van de Kerk en de School als op het gebied van den Staat zulke treurige gevolgen heeft gehad, en met de zelfde verwarring, waaraan men kon hopen eindelijk eens te ontkomen, toen eenige mannen van

Sluiten