Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze Godgeleerden plachten eene „natuurlijke kennis van het Woord Gods" aan te nemen.

„De natuurlijke wordt geoefend van onbekeerden, de g e e s t e 1 ij k e van waarlijk begenadigden wedergeborenen.

De natuurlijke geschiedt door het licht der natuur en de uitwendige verlichting des Woords . . . . door redeneering enz. enz " „God bestraalt sommigen met de gemeene gratie, zoodat zij de heerlijkheid en beminnelijkheid in de Goddelijke waarheden zien", i)

Zij maakten verder een onderscheid tusschen den natuurlijk-historischen, grammaticaal logischen, dogmatischen en den geestelijken zin van het Woord.

Op de vraag: of de Schrift klaar was om te verstaan ? antwoordde de zelfde schrijver, i)

,,'t Is eene onvolmaaktheid in een schrijver als hij niet verstaanbaar schrijft. Hoe duidelijker hij de zaken voorstelt, zoodat men daardoor tot de pit der voorgestelde zaken kan inzien — — — hoe volmaakter zijn schrift is."

Hiermede wordt van zelf niet ontkend „dat vele zaken in de Schrift te hoog zijn voor het verstand der menschen" „dat alle menschen niet bij machte zijn de Schrift in zijnen geestelijken zin te zien."

W. A. Brakel antwoordt op de tegenwerping ontleend aan de door Dr. Kuyper aangehaalde Schriftuurplaatsen : „Wij erkennen gaarne dat iemand door Gods Geest moet verlicht zijn, om de Schrift in zijnen geestelijken zin te verstaa n."

Wij gelooven evenwel, even als onze vaderen, dat het Woord van God „een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad is" dat wij in dat licht ook de dingen des natuurlijken levens zien, en eischen op dien grond eene school met den Bijbel en verkondigen dat

1) W. A. Brakel Red. Godsd. ed. Donner I. 1105 v.v.

2) Blz. 39.

3) Blz. 41.

Sluiten