Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(onder Gedalja) stond het volk, en verkeerde dus ook de kerk onder vreemde heerschappij

De idéé „kerk" d. i. de nadere en nauwere vereeni"in<* van de geloovigen onder één hoofd, is hiermede ook& niet in tegenspraak' Voor de geheele polemiek tegen de z.g. volkskerk bestaat dan ook niet de allergeringste grond.

t. Het blijkt dus dat „Kerk en Staat in Israël" werkelijk onderscheiden waren in zoover de burger van het 1 land niet noodzakelijker wijze lid van de Kerk was. Hetzelfde kan echter ook van de ambten, de ambtdragers en de ambtelijke macht

Ï worden gezegd.

De priesters hadden geen staatkundigen rang, en stonden den rechter alleen als uitlegger van de wet terzijde. Deut. 17:8—12; 21 : 10.

Steeds treden de stamvorsten op den voorgrond. Num. 36: 1; Deut. 29:9, 10; 1 Chron. 27: 16.

Het is na de Ballingschap anders geweest. De priesters hebben zich steeds meer met staatszaken bezig gehouden en de Hoogepriester dong feitelijk naar het Koningschap. Dit alles ligt evenwel buiten het terrein van de openbaring en was een afwijking van de gewoonte, mitsgaders in strijd met de wet.

Dr. Kuyper had een argument ten dienste van de door hem verdedigde stelling, evengoed aan desamenstelling van de Staten Generaal kunnen ontleenen.

De ongehoorzame zoon werd tot de oudsten zijner stad gebracht. Deut. 21 : 19, vrg. 22 : 15; 25 : 7; 29 : 12.

Zij werden weliswaar door Josaphat met de priesters tot een rechterlijk collegie vereenigd, maar altijd worden „de zaken des Heeren" van de zaken des Konings onderscheiden.

De Kerk was vóór de dagen van het nieuwe verbond, niet in dien zin geinstitueer^dat zij als eene afzonderlijke inrichting optrad, met eene plaatselijke openbaring, eene voorgeschreven orde en zich uitbreidende vergaderingen van ambtsdragers maar daarom

Sluiten