Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging, althans ontluisterd werd en jubelend roept

nu ieder, die den Zoon kent, het uit: „ik weetinwien ik geloof', en staat met zijn geloof op een rots, waartegen wind van leer en golfslag van twijfel mag aanbeuken, en ziet hij valt niet, want rustig omklemt zijn arm het kruis, op die rots geplant, en hij wacht tot het weer kalm is om hem heen, zoodat hij zijn levensvaart weer kan voortzetten en afgaan op het doel, waarvan zijn geloof spreekt. En wat God voor hem gedaan heeft, dat heeft zijn hart verwarmd, weldadig verwarmd. Het is de liefde Gods, die uitgestort is in zijn hart zoo heeft hij dan lief, en

die liefde is de drang in hem om te geven naarmate hij ontvangen heeft, om te woekeren tot heil van anderen met de kennis, de wetenschap der onzienlijke dingen, die hem geschonken is. Die liefde laat hem geen vrede zoolang hij niet anderen even gelukkig weet als hij zelf is. Die liefde zoekt niet het hare, niet zich zelf, is niet egoïstisch als de liefde der wereld, die bemint om hetgeen zij van het voorwerp der liefde ontvangt en verkeeren kan in haat als dat voorwerp ophoudt met geven; neen! zij maakt baan en plaats in het hart voor al meerderen; al werkende verdubbelt haar werkkracht, al uitdeelende van haar gaven vermeerdert haar schat, haar voorraad onder hare handen. Geloof alzoo, de wetenschap omtrent de goddelijke dingen, geloof als leven in en met God, den geopenbaarden God, en liefde, die wezenlijk liefde, de polsslag, de harteklop, de warmte van dat leven is, zij zijn de levensmachten

Sluiten