Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het troetelkind onzer dagen - voor hoogere wetenschap, die meer aanbidders dan beoefenaars telt voor kunst, waarvan een enkel product soms op duizenden komt te staan - voor genot, dat dag aan dag, avond aan avond, nacht aan nacht door duizenden' uit alle standen wordt nagejaagd - voor weelde, die zelfs de burgerwoning tot een paleis maakt voor drank, die millioenen verslindt enz., dan zou er, geloof ik, met meer recht van „verkwisting" kunnen gesproken worden, en dan is het cijfer voor de Zending besteed tegenover het cijfer, dat wij alsdan verkregen, slechts een druppel tegenover den oceaan.

Over het nut van het bestede Zendingsgeld laat zich natuurlijk met zulke menschen moeilijk twisten, want wie voor zijn eigen leven aan het Christendom geen waarde toekent, vindt het natuurlijk ook waardeloos voor een ander en het geld er aan besteed

weggeworpen geld.

Toch zijn er ook practische lieden onder hen, die nog wel een oog voor het nut der Zending hebben. Len onverdacht getuige in dezen, het Socialistische Kamerlid, de Heer H. van Kol, zei in Nov. 1898 in de Kamer, „dat het ter beschaving van Nieuw-Guinea beter is de prediking van het Christendom te bevoi deren dan ambtenaren te zenden. Het Christendom maakt van Kannibalistische zwervers vreedzame landbouwers." ') Uit de Preangerbode nam de Vaderlander van 19 Nov. 98 een bericht over, dat de

') Overgenomen uit het Doet. Weekblad van 2 Dec. 98.

Sluiten