Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu den kamerling uit het Moorenland den Christus te verkondigen, uitgaande van die plaats van Jesaja. Hij is nu meteen in het hart van het Evangelie der zaligheid, in het hart van Gods liefdesopenbaring in den eeniggeboren Zoon. Het zwijgende Godslam, ja dat is de Christus Gods in zijn middelaarsheerlijkheid; dat is de heilige, bij wiens zwijgen het oordeel gaat over de lichtzinnige, veel pratende, lasterende, spottende wereld, die zich met een kwinkslag of een scherts wil afmaken van de verantwoording, waartoe zij geroepen wordt. Het zwijgende Godslam, dat is de Heiland der wereld, die in zijn zwijgen bidt: kom tot u zelf o zondaar, en laat u met God verzoenen!

Wij hebben het woord van Jesaja, waarover Filippus sprak tot den kamerling, zeker menigmaal gelezen. Wij vragen het niet meer: van wien zegt de profeet dit? Het is ons van onze jeugd ingeprent, dat wij hier een Messiaansche profetie voor ons hebben. Maar is er in het geheel geen aanleiding voor den H. Geest meer om aan iemand onzer te vragen : „verstaat gij ook wat gij leest?" En als heden bij het tafereel des lijdens, dat oprees voor onze oogen — Jezus voor koning Herodes — de groote Zwijger door ons aanschouwd wordt, is er dan in het geheel geen aanleiding meer voor den H. Geest om aan iemand onzer te vragen: Kent gij Hem? Ik bedoel niet die kennis, die alleen maar zaak van ons hoofd, van ons geheugen is. Die hebben wij wel. Wij allen zullen elkaar wel meer of minder nauwkeurig het aardsche leven van Jezus kunnen verhalen.

Sluiten