Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat haar niet meer dan een propaedeutische waarde werd toegekend. Hare leeraren werden in ondergeschikten rang aangesteld, uit den geestelijken stand gekozen, of mede belast met natuurkundige en andere specieelwetenschappelijke bemoeiingen. De regeling van 1815, die het leervak bij de letterkundige helft der vroegere philosophische (of zuiver-wetenschappelijke) faculteit indeelde, scheen gelegenheid te bieden tot een vrijere ontwikkeling; doch zij had een natuurlijk verband verbroken, en vermocht ook niet te voorzien in het langjarig gemis eener degelijke schoolvorming, die, bij al hare onvermijdelijke gebreken, toch een voortzetten en verbeteren van den arbeid van het eene geslacht door het andere zou hebben medegebracht. Zoo bleef ook onze akademische philosophie, zoowel als de beoefening der wijsbegeerte buiten de hoogescholen, afhankelijk van afwisselende toevallige inwerkingen uit den vreemde, en buiten staat om in krachtigen wedijver met onze oostelijke en westelijke naburen op te treden. Ten laatste werd zij door den wetgever van 1 876 als een studie op zichzelf van al de andere losgemaakt, en alles erop ingericht om de aandacht der meesten van hare onderwerpen af te leiden.

Het is waar dat de natuur der dingen niet gedoogt, de belangstelling in de diepste vraagstukken, die zijzelve ons voorlegt, geheel te laten verloren gaan. Voortdurend worden er gevonden, die te midden van den zwaren arbeid, hun door het vak hunner keuze opgelegd, den tijd uitkoopen om ook daaromtrent

Sluiten