Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinden '). Hij acht de toepassing een nuttig en noodig gevolg, doch niet het voorname oogmerk van zijne bemoeiingen. „Gelijk wij *) hem een vrijen mensch noemen die om zijns zelfs wil en niet ter wille van een ander bestaat, zoo is ook deze studie alleen een vrije, want zij alleen is om haars zelfs wil." Hij in wien zij leeft (kunnen wij er bijvoegen) is als degene bij wien een sombere dag of een flauw verlicht vertrek een gevoel van benauwdheid en armoede wekt, al valt er licht genoeg op de bezige handen om ze in werking te houden. Wie dat gevoel niet deelen, zijn spoedig geneigd om hem te verwijten dat hij het overbodige verlangt, en beter deed met voor iets noodigers te zorgen dan die weelde van heldere verlichting. Zij bedenken niet, dat hetgeen hem verkwikt, ook ten bate komt van hunne eigene beslommeringen; dat in het geheel der samenleving, het vermeerderen, ordenen, verspreiden en gebruiken van wetenschap aan menschen van verschillenden aanleg en richting dient te zijn toevertrouwd; — en bovenal, dat hij zoo goed als b. v. een kunstenaar, aan wiens eigenaardigheid zij nog eer iets zullen willen toegeven, ten slotte het recht heeft om zichzelf te zijn, en zich door niemand een levensrichting waarvoor hij minder geschikt is te laten opdringen. En zou een maatschappij waarin een ieder „het zijne verricht", (zooals Plato het noemt) niet de gezondste, de meest bestendige en de gelukkigste zijn?

3de Hoofdstuk: Weten en begrijpen.

Tot hiertoe hebben wij van wijsheid, wetenschap of kennis als van éene zaak gesproken. Wij kunnen die in het algemeen

') Sokrates bij Plato, Apol. 38 A: 0 d'dveSéutoto; fiio; oi fiionóg (iv&QÓinia.

■) Aristoteles t. a. p.

Sluiten