Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aldus beschrijven. Hij die iets „kent" of „weet", heeft daarvan in de eerste plaats een bepaalde voorstelling of denkbeeld. Ten tweede houdt hij dat denkbeeld voor waar; d. i. hij aanvaardt en bevestigt het als overeenkomstig met eenig voorwerp dat onafhankelijk van zijn denkbeeld bestaat. Deze twee trekken heeft de kennis gemeen met het geloof; doch er komt in haar geval deze derde bij, dat wie ze bezit voldoende reden vermag aan te voeren 0111 elk die deze verstaan, en zonder vooringenomenheid waardeeren kan, mede tot voorwaarhouden van liet denkbeeld te nopen; terwijl bij „geloof" datgene wat aan de genoegzaamheid der reden ontbreekt wordt aangevuld door een persoonlijke begeerte om het gestelde te beamen. Daarom wordt, tot voortplanting van geloof, voornamelijk op het vvenschen en willen van den aanstaanden bekeerling ingewerkt, terwijl kennis wordt medegedeeld door met het beweerde tevens de reden te ontvouwen, waarbij men enkel met de oplettendheid en de bevatting van den kweekeling te rekenen heeft. De toets van het weten is in zooverre,, zooals Aristoteles zegt, gelegen in het kunnen onderwijzen,— mits men niet vergete dat niet alle onderwijs, hoe deugdelijk ook van inhoud, voor eiken leerling past.

Een zekere mate van kennis is voldoende om haar voorwerp (i°.) van andere te onderscheiden. Meer is er noodig om (a°.) rekenschap te geven van zijne inrichting en betrekkingen tot andere, zoodat het blijkt, wat daarvan onder deze of gene omstandigheden kan verwacht worden. Het meer volmaakte weten omvat het een met het ander; of, als men een uitdrukking aan Leibniz ontkenen wil, de inhoud van dat weten is zoowel „klaar" als „duidelijk." Nog beter ware het misschien, dien inhoud „bepaald" en „volledig" te noemen.

Sluiten