Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Q, — al deze oordeelen stellen het dierlijk-zijn, het wandelen, en wat dies meer zij, kortom het voorwerp van het praedicaatbegrip, als aanwezig in het subject, welk subject voor het oogenblik als deel der werkelijkheid erkend wordt. Op welken tijd het daar aanwezig is? plegen wij grammatisch bij het praedicaat op te geven; doch voor de gedachte, die de veranderende werkelijkheid in eens, als ware het een staande reeks, beziet, is het wanneer een plaats in die reeks of een gedeelte dier reeks, en behoort inderdaad tot de aanduiding van het subject, immers van het gedeelte der werkelijkheid dat door het oordeel getroffen wordt. „Napoleon" was keizer, en „Napoleon" was mensch; doch bij het laatste denken wij aan den persoon in al zijne levensmomenten bijeengenomen, bij het eerste aan hem zooals hij was gedurende zeker tijdperk, met velerlei hoedanigheden die hem te voren en later niet toekwamen. Voor zoover dat tijdperk •onbepaald blijft, is het subject niet scherp omschreven, evenals in het bizondere oordeel („N. zooals hij althans te eeniger tijd bestond, en misschien wel zijn leven lang, •was keizer"); de plaats die het voorwerp van het praedicaatbegrip in het alomvattende tafereel der werkelijkheid te bekleeden heeft, is door het subject niet zoo eng omschreven als in een algemeen oordeel met een lager subject>begrip, of bij beperking van het begrip Napoleon door nadere tijdsaanwijzing, het geval zou zijn.

De bewering van sommigen, dat er oordeelen zonder quantiteit zouden voorkomen, is in zoover juist als er onvoltooide, kwalijk omschrevene gedachten gevormd worden. Met „sneeuw is wit" kan bedoeld zijn „alle" of „sommige sneeuw"; neemt men het eerste niet op zich, dan toch stellig het laatste; en tenzij uit omstandigheden

Sluiten