Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat wij onze bevoegdheid, die wij immers voor hoogst begeerlijk houden, beweren zonder ze te kunnen bewijzen door een beroep op vooraf erkende waarheden. Het werktuigelijke gebruik van definitiën, waarmede men het in een woordentwist ver brengt, zou die benaming rechtvaardigen. Doch men vergeet te licht, dat de grond der tegenstelling tusschen „kennis" en „geloof", als twee soorten van het geslacht „overtuiging", niet ten tweeden male dienst mag doen 0111 dit geslacht in zijn geheel te onderscheiden van wat daarbuiten ligt, en dan nog wel van iets dat wij willekeurig en gebrekkig verdichten, t.w. van een kennis waarbij niets hoegenaamd zou zijn ondersteld. Het onderstellen waarvan wij spreken verschilt van hetgeen wij als „geloof" beschouwen reeds daardoor, dat de wensch om bevoegd te zijn tot beweren, volhouden ot beslissen in het algemeen, bezwaarlijk voor een loute'r persoonlijken gehouden kan worden, waarnaast afwijkende wenschen van andere personen voor zichzelven plaats vinden. Laat iemand zoo nederig gezind zijn, dat hij alle inlichting omtrent het bestaande van anderen verwacht; hij rekent toch hierop, dat hijzelf 1®. hunne mededeelingen verstaat, en 20. gelijk heeft met zien daarop te verlaten; kortom, dat er voor zijn omhelzen van de partij die of het gevoelen dat hij voorstaat, voldoende reden aanwezig is (al wordt zij niet aan den inhoud van dat gevoelen ontleend), en hij de bevoegdheid heeft om dat uit te maken. Wil hij dit niet, maar werpt zich onmachtig of „peinzensmoede in de armen van een of ander gezag, dan verklaart hij metterdaad, hieraan de voorkeur te geven boven zoo mftiig ander gezag dat zich in de wereld aanbiedt. Die voorkeur moet hij kunnen rechtvaardigen, of zij staat voor een onpartijdigen beschouwer gelijk met een

Sluiten