Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder „inlassching" van een onderstelde of werkelijke wereld in ruimte en tijd levert de reeks van voorstellingen in ons bewustzijn geene kennis van wetten, en lokt geene verwachtingen uit die ons baten '). De kunstige wendingen en voorzichtigheidsmaatregelen, waardoor een denker als Laas zich poogt te verzekeren van de voordeelen eener beschouwing die op niets zoozeer als op een metaphysische gelijkt, zonder met de besliste voorstanders van deze aan dezelfde gevaren bloot te staan, zijn moeielijk te vereenigen met zijne „bekentenis, dat het wetenschappelijk denkbaar is, zonder eenige metaphysica rond te komen" *). Irouwens hij voegt er zelf bij, dat het „mogelijke" niettemin in de uitvoering zeer moeielijk en kunstmatig kan blijken; en wie hemzelf ziet worstelen om in alles „positivist" te blijven, geeft hem dat gaarne toe.

Het eigenlijke bezwaar voor hem en zijne medestanders komt, zoo wij ze goed verstaan, hierop neer, dat de eischen die aan een voltooide wetenschap te stellen zijn, op onze steeds wordende wetenschap niet streng kunnen worden toegepast. Aan anderen hindert het hen, dat zij de kloof tusschen beide met éen slag meenen te dempen; op hunne beurt trachten zij ze weg te nemen door den standaard van volmaaktheid als immers iets louter denkbeeldigs ter zijde te stellen. Als „regulatief" beginsel voor ons denken wordt hij weliswaar aangehouden, en hetgeen daaraan vast is, wordt te dien einde onder nieuwe benamingen, ot onder de oude met aanhalingsteekens, aangehouden. Doch dat wij hem met de gegevens der ervaring moeten samendenken, wordt niet erkend als

') Laas, Analogien p. 308, 11. 209. ') lbid. p. 229.

Sluiten