Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgedrukt. Daarom zou onze redelijke taak een tweeledige zijn; namelijk eensdeels, zooveel van die dingen als wij beheerschen, tot zuiverder uitdrukking van hun vorm te brengen, anderdeels, de kennis die zij aanvankelijk hebben doeri ontwaken, te voltooien, niet door studie van de dingen, maar door ons te verdiepen in de reine ideën waarmede wij buiten de dingen om in betrekking staan.

Voor de wetenschap die wij dienen is de kennis niet een schat die uit ons binnenste moet worden opgedolven, maar een vermogen dat in den omgang met de dingen allengs verworven wordt. Wij brengen niets mede dan de inrichting van onzen geest; het standvastige dat wij trachten te vinden, is de inrichting, de orde, die het waargenomene begrijpelijk maakt. Zoowel de verschijning als hetgeen haar te weeg brengt, is voor ons belangrijk; het een met het ander is ons voorwerp. Waar wij de werkelijkheid verbeteren, bedoelen wij, haar aannemelijker te maken voor den geest die met haar in verkeer staat, meer en meer geschikt voor het redelijke leven der menschheid. Waar wij de orde der wereld trachten te doorgronden, is ons oogmerk, de dingen die ons omgeven, die ontstaan en vergaan, meer en meer in het licht dier orde te zien. Vandaar, dat onze soortbegrippen voorloopige zijn; en dat wij, hoezeer nu en dan uitweidende in lang gesponnene redeneeringen en veelomvattende synthesen, de waarneming nimmer loslaten, om wier verklaring het ons te doen is, en wier getuigenis het lot van elke theorie beslist.

De wetenschap van onzen tijd ontbindt daarom al dadelijk het waarneembare zooveel mogelijk in zijne elementen. Stelden vroegere geslachten zich tevreden met de ervaring, dat het opium van nature slaap verwekt, en de gedachte dat dit behoort tot het eeuwige wezen der plant waaraan

Sluiten