Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valsche vereiscln een verdeeling in 400 gelijke kansen, waarvan op de C vallen 36, op de D daarentegen 96 en op de A, B, E en F elk 67. Daar nu de betrekkelijke aandeelen der mededingende mogelijke gebeurtenissen, aan het volle bedrag van 100 p.c., onderdeelen zijn van de totale speelruimte, kunnen zij zeiven als de speelruimte van A, B, C, enz. worden beschouwd; deze wordt in dit geval voor C verkleind, voor D vergroot door de „omstandigheid". Men ziet echter, dat zoo de dobbelsteen niet soms eerst zuiver en daarna valsch is geweest, deze wijziging van speelruimten niet werkelijk plaats heeft gehad, maar slechts in onze gedachte, doordien onze kennis vermeerderd is. liet zijdelingsehe zwaartepunt was vóór den eersten worp evenzeer aanwezig als de kubusvorm, die op zichzelf beschouwd gelijkheid van speelruimten moest doen verwachten. Slechts hebben wij gemakshalve een voorloopige verwachting gevormd, en die daarna gewijzigd, door de „omstandigheid" als iets nieuw bijgevoegds in rekening te brengen. De eerste waarschijnlijkheidsbepaling was in dit geval onjuist (en wij konden daarop verdacht zijn, omdat van de ligging van het zwaartepunt niets was gebleken), hoewel te beschouwen als de eerst voor de hand liggende, immers eenvoudigste, werkhypothese. Waar het echter uitvoerbaar was, zich vooraf van de deugdelijkheid van den dobbelsteen te verzekeren, zou het een dwaasheid zijn, iets van belang op die eerste eenvoudigste begrooting te bouwen. Bij een eerlijk spel zou men den valschen dobbelsteen eerst dan kunnen gebruiken, wanneer men de winsten voor elk der worpen omgekeerd evenredig maakte aan de waarschijnlijkheid daarvan, zoodat 36 worpen van C, 96 van ü, of 67 van een der andere zijden telkens dezelfde winst opleverden.

23

Sluiten