Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl die strekking daarginds afhing van onze gezindheid jegens de hoogste macht waarvan wij in allen deele afhankelijk zijn, — wordt zij hier bepaald door het samenleven niet onsgelijken. Onder deze laatsten tellen wij billijkerwijze ook onzen eigen persoon; in zoover wij met de gesteldheid van dezen te rekenen hebben, die ons normale streven ondersteunt of dwarsboomt, en zijn voordeel of schade gemoeid is met de wijze waarop wij hem behandelen; en aan den anderen kant, om dezelfde reden, mede zoodanige wezens als zich meer in de verte met ons verwant vertoonen; ja ook degene die wij ons soms genoopt vinden als bovenmenschelijke geesten te denken. Want bij alle verschil van soort blijft toch de overeenkomst van het geslacht: waarneming, herinnering, voorkeur en tegenzin, uiting van wil of aandrift; en slechts waar de partijen elkaar volkomen onverschillig laten, zou er van geene bejegening der eene door de andere sprake zijn, — Dat samenleven normaal, in het belang van wie dat allereerst toekomt, zoo niet in dat van allen en elk op zichzelf, in te richten, is het einddoel van zedelijke werkzaamheid. Daarom zal een volledige religieuze beschouwing ook op de regeling daarvan zekere toepassingen medebrengen: niet alleen tusschen den vereerder en het voorwerp zijner vereering dat hij als geest beschouwt, wordt een voortdurend weerkeerig bejegenen aangenomen, maar de verhouding van twee individuen elk op zichzelf tot den gemeenschappelijken grond van hun bestaan stelt hen tevens in onderlinge, zoowel in een feitelijke als in een normale betrekking. En toch gebeurt het dat een religieuze denkwijze, met eeredienst en overdenking van ons eigen verband met het eeuwige tevreden, voor ons samenzijn met schepselen als wij nauwelijks cenige aan-

Sluiten