Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap werden ook op dit stuk geraadpleegd, en hadden niets beters aan te prijzen dan het welbegrepen eigenbelang en de vereering der deugd om hare schoonheid. Daarnaast echter toonden zij in een ander verband van gedachten aan, dat een voor allen geldige waarheid niet te vinden was; dat de wetten berustten op overeenkomst, en daarom op het persoonlijk inzicht, en veelal het eigenbelang, van hen die ze uitvaardigden; dat men van de goden en de natuur der dingen niets stelligs wist, en des te meer van de middelen om in deze wereld vooruit te komen. „De mensch", betoogden zij, was „de maat van alle zijn en niet-zijn"; ja, zooveel wij konden weten, „bestond" er eigenlijk niets; waarbij weliswaar niet veel verloren ging, naardien iets dat was toch niet gekend, en iets dat gekend werd toch niet aan anderen kenbaar gemaakt zou kunnen worden. In dezen staat der in het openbaar onderwezen wetenschap, — waarbij ten slotte het redelijkste zou zijn dat ieder kortweg deed wat hem voor het oogenblik het meest behaagde, en met veiligheid uitvoerbaar was, — kwam Sokrates voor een vernieuwing van ethische normen op. Reeds het feit van onderlinge verstandhouding door de taal stond hem borg voor het bestaan van gemeenschappelijke elementen van kennis, die men door gezamenlijk overleg aan het licht kon brengen. Aan hetzelfde woord hechtte ieder die de taal sprak, toch ongeveer hetzelfde begrip; en dit begrip liet zich, wanneer men het te zamen onderzocht, zóo definieeren, dat men een denkbeeld verkreeg waarin ieder terugvond hetgeen na aftrek van persoonlijke vergissingen als zijne wezenlijke voorstelling van de zaak overbleef. Wie het juiste begrip bezat van de soort waartoe iets dat hem voorkwam behoorde, wist het voorwerp meteen naar zÜn

Sluiten