Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander, dit leefde té voorzichtig, in een veiligen hoek van zijn ziel. Enkel dat andere kon hij zeggen.

— „Wat een ontzettend gezicht," zeide hij, „hier op deze brug. Hoe verschrikkelijk toch, die rivier vol donkere booten, en aan weerszijden die hooge huizen van de stad, en dan die mist, die zoo dreigend opstijgt, en die ontzettende geluiden overal. Het werd me ineens zoo bang, Elias ! En wat wordt het koud;

ik ril er van!"

„Ja, mijn jongen," antwoordde Elias, „nu breekt er een heel kwade tijd aan. We zijn nu al in 't begin van den winter, en dan komen we in 't hartje van de misère. Je weet nog niet, wat het zeggen wil, winter, mijn brave!.... Zie je hier wel goed al die bruggen?.... vooral de brug, waar we hier op

staan? zie je die breede bogen en die zuilen van

onderen, en daar, .die welvingen, aan den wal

dat wordt nu het nachtleger van de ellendige proletariërs dezen winter daar slapen ze, om niet te

bevriezen van de koü.... want nu is het uit met de bankjes in de plantsoenen, en de vrije velden buiten daar zouden ze bevriezen hier onder die

bruggen, mijn brave, dicht op elkaar gekropen, als vee, waar ze ten minste beschut zijn tegen sneeuw en ijzigen wind, slapen 's winters geen hónderden, maar duizenden menschen, onze broeders, onze zusters, en moeders met kinderen, zóó maar op den

Sluiten