Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IJzig-koud zag zij op hem neêr. En tóch streelden haar zijn hartstochtelijke adoratie en de diepe deemoed, waarin hij, als een vernederde slaaf, op den grond voor haar nederlag. Zij vond hem mooi, met die biddende oogen in zijn fijn, bleek gezicht ; zij zag hoe glanzend zijn zacht, zijden haar was, als van een edelknaap uit de riddertijden. Zij wist, dat niemand uit haar omgeving haar ooit zóó had bekoord, door haar koninklijkheid héén, tot in haar innigste, maagdelijke wezen.

Aan hare voeten, door zijn snikken heen, klaagde hij door.

„— Genade," smeekte hij, „genade voor de armen

en verdrukten de menschen, die U dienen, en

het volk regeeren, kunnen niet helpen, want zij kennen de Liefde niet, en zonder Liefde kan het onrecht nooit genezen.... daal af van Uwe koninklijke hoogte, o, prinses, verlaat dat lichte, blinkende paleis, dat daar zoo wreed en koud in de hoogte staat, en verwaardig U, in de woningen der armen te treden, en hun grooten nood te zien... Zie de zwoegende, tobbende werkers in de gruwelijke fabrieken en diep in het donker der mijnen, en zie dan de feestende, hartlooze lediggangers, die zwelgen van hun zweet... zie de vrouwen, Uwe zusteren, die klagelijk haar lijf moeten veilen voor het dagelijksch brood, waar de pratte poenen hier zwijmelen in orgieën. . •

Sluiten