Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat onverwachte en zoo bijna onmogelijk vreemde, hoe het boek, dat de teêre droomen bevatte van zijn ziel, zoo geloofd en geprezen werd door het volk van de duistere stad vol onrecht en zonde.

Hij las ze nog eens goed, aandachtig over, die vleiende beoordeelingen van zijn sprookje, door de literaire mannen van het vak, dat zij letterkunde noemen, en met de hem eigen intuïtie raadde hij, dat het grootste deel van dien lof niet uit een zuivere emotie was gekomen, en onwezenlijk was bij de diepgevoelde uitingen in de simpele brieven, die persoonlijk aan hem waren gericht, in een spontane opwelling van dankbaarheid en liefde. Die hoog verheffende aanprijzingen van zijn kunst, had hij ze óók niet gelezen over boeken, die antipathiek waren aan het innigste van zijn ziel, over het infame tooneelstuk van Wartenau, over al de scabreuse, grof sensueele komedies, die voor een ontaard publiek werden vertoond op de Boulevards? Was het eigenlijk niet een degradatie nu óók een „artiest", nogwel „in de voorste rij der literatoren", te worden genoemd, tegelijk met de gedegenereerde decadenten, die hun heiligste goed hadden verloochend voor den groven smaak van het publiek? En wat was hem het kunstige, brillante sonnet van Wederich eigenlijk waard ; van hem, die met de Fariseeërs had aangezeten, op zijn borst het schandelijke, blinkende schitter-ding,

Sluiten