Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bogen van de Cathedraal, verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten cantille-werk. Overal in 't rond zagen witte heiligen en engelen op hem neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed.

„— O God! o! mijn God!" snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane, redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster, dat haar bedreigt... want dit kan toch niet, mijn God, dit kan toch niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het zwarte en roode van het Beest... dit kan toch niet gebeuren, en deze kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als ha&r kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest. — O! heilige Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ik sterven, den gruwelijksten

Sluiten