Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zóó ging Paulus' leven rustig door, de eerste maanden. Hij kreeg zijne krachten van vroeger terug, en de gezonde, roode blos kwam weer op zijn wangen. Hij werkte veel met Willebrordus in den moestuin, kapte hout, en maakte verre wandelingen in den omtrek, zóó, dat hij 's avonds, te moê om te denken, dadelijk insliep, natuurlijk, als de planten en de dieren.

Maar langzamerhand, toen hij de zaligheid van zijn natuur-leven al dieper en dieper ging beseffen, begon een vage twijfel in hem op te wellen, of het wel recht en goed was, wat hij thans deed. Hij was nu veilig geborgen, leefde een rustig leven, te midden van zulke goede, ernstige vrienden, als de boomen en de bloemen. Maar daar ginds, ver van het bosch, over de bergen, wist hij het droeve volk van de steden, in zijn grooten nood. En ééns, toen hij, zonder werk zijnde, voor het open venster van zijn kamertje uit zat te staren in den vallenden avond, en hij zag al de pracht van het Bosch om zich heen, voelde hij opeens met schrik een overeenkomst van zijn eigen leven met dat van den luien, rijken nietsdoener in weelde, die, onbewogen voor het leed der menschen, zijn bestaan doorgaat in louter luxe. Toen dacht hij opeens: „Leef ik dan niet in weelde? Is er grooter luxe denkbaar, dan dit grandiose, statige Bosch, en al de rijkdom van de Natuur om mij heen?"

Was hij nu eigenlijk niet even lafhartig wegge-

Sluiten