Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnt hem Windekind, een elf, die hem alle geheimen van dieren en planten ontsluiert, onder voorwaarde evenwel, dat hij er met de lompe menschen, die dit alles belachelijke sprookjes noemen, nooit over zal spreken. Hij hoort, dat de zon ten onrechte op school vrouwelijk heet; die zon is mannelijk, zijn eigen vader. Onder de dieren gaat het op dezelfde wijze toe als onder de menschen; daar is een oorlog tusschen de mieren; daar wordt een groot weldadigheidsfeest georganiseerd; daar is een krekelschool. Maar Johannes leert nog veel meer; de weg tot de hoogste kennis wordt hem gewezen, daar Oberon, de Koning der elfen, hem een klein gouden sleuteltje geeft, dat past op een gouden kistje, dat ergens is: in dat kistje wordt een boekje bewaard, en in dat boekje staat, wat de dingen eigenlijk zijn. Yan nu aan denkt de knaap aan niets anders dan aan zijn zoet geheim; hij stoort zich niet aan de berisping, welke hij ontvangt, omdat hij een nacht van huis is geweest; op de school let hij niet op; slechts één gedachte, slechts één verlangen vervult zijn geheele ziel. Windekind haalt hem weg, en verbergt het sleuteltje onder een duinroos. Nu gaan zij op reis, en de kleine Johannes zal niet meer terugkeeren, maar levend in zijn tooverwereld, nu eens bij den een, dan weder bij den ander ter schole gaan om het geheim van het wezen der dingen te leeren doorgronden.

Sluiten