Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 't Gaat me zooveel an, as dat ik honger heb, zei hij nijdig tegen. Maar zij gaf geen weerwoord. Haar gezicht klamrood van inspanning, tilde zij nadat de nu zwak murmelende straal gestopt was, in krachtige greep de volle emmer uit de gootsteen weg, om hem zwaar neer te planten vlak voor de drempel.

— Ga nou asjeblieft effen uit de weg, dat ik er bij kan, zei ze toen, hooger opsjorrend haar rokken boven de plompe kousenbeenen, daarna, één voor één, aan de gestrekte arm de mouw opstroopend, dat de dikke spierige voorarm bloot kwam.

Verhoef week terug, schouderschokte even, bleef verveeld toezien, handen in de zakken, hoe zij bonkend op de knieën zonk buiten het keukentje, haar breede rug vlak onder hem en de vuil-zwarte zolen van haar muilen onooglijk en zot naast elkaar aan de grove staakbeenen. Zóó begon zij haar dwijl in de emmer te ploeteren.

Juist klingelde de schel van de voordeur door 't gangetje: een opschrikkend geluidje in de binnenrust.

— Nou! daar hei je 't kind nou al! verweet hij, wegsloffend om open te doen.

Sluiten