Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zij drinkt mee, meer niet... jawel! Godza'me-liefhebben, hoor je die?... ja, jij bent 'n lekker brok, as 't op zuipen ankomt... Ga jij nou maar 's gauw, kind, hier benne de twee duppies... verlies ze niet op de reis!...

Het kind stond al klaar bij de deur, vraagoogend van vader naar moeder. Toen, het geld in haar handje, liep ze haastig het gangetje in, deed blij haar kape om.

— Zus, dalijk terug komme, hoor! riep de vrouw haar na.

— Ja moeder, kwam 't gedwee-zachte antwoord.

— Bè je d'r zoo ongeduldig na? gekte hij, in zijn ruwe grinniklach.

— Och, verrek jij toch!... ik zeg 't maar voor dat kind. Anders loopt ze me maar in die straat te schooiere en dat het niet noodig...

Ze hoorden 't kind de trap afgaan, de dreun van de deur, en bleven zwijgend elkaar tegenover. Door het gepraat en 't vooruitzicht van de borrel, was de vrouw de mismoedigheid van straks vergeten, die enkel nog nawerkte in haar dolente zeggen in doffe stilte.

— Wat 'n lamstralige dag, hè? met dat verrekte nattige weer...

Waarop Verhoef, lui in zijn stoel terug-

Sluiten