Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij trok zijn jas aan, zich verlucht voelend, dat hij nu hier weg mocht. Deze kamer, met die irriteerende gezelligheidshoek bij zijn schrijftafel gonsde al te leeg-stil, schemerde al te doodsch. Dit was voor hem niet, hij behoorde elders te zijn eigenlijk al lang. God weet, wat intusschen daarginds met haar gebeurde...

Deze gedachte joeg zijn hart op tot bonzende slagen in een sensatie van onduldbare onrust. Maar hij bedwong zich: dit was maar dwaasheid. Hij wist dat nu al lang; er gebeurde nooit iets, en naar gewone meening was zij ook zoo weerloos niet. Hij moest zich leeren matigen, hij moest wat zelfbestuur overhouden . ..

Zoo ging hij opzettelijk bedaard de lamp uitblazen en het gordijn oprollen.. . Even luisterde hij naar het avondstad-geruchten, dat buiten levendig en als opgewekt gaande bleef. En weer voelde hij zich zeer verlaten tusschen de dingen, die hem onverschillig omstonden, terwijl buiten een vreemde wereld roesde en jaagde. In de open kamerdeur draalde hij een oogenblik, zag in de kamerholte terug, met een vaag angstgevoel voor het weerzien hiervan in de nacht als hij thuis zou komen... sloeg toen de deur dicht.

Sluiten