Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een avond in November van het jaar 1880.

In de eetkamer van een der paleizen in de bocht van de Amsterdamsche Heerengracht zaten twee knapen en een klein meisje aan de massieve eikenhouten middentafel, waarover een oud-koperen gaskroon van sobere teekening, slechts gedeeltelijk aangestoken, een getemperd licht wierp.

Het was een ruim doch laaggezolderd vertrek in oud-Hollandschen stijl. De zware, donkere eikenhouten balken, het bruinlederen behangsel met hoog getimmerd beschot, de twee groote antieke buffetten met hun deuren van geschilderd glas, de breede hooge schoorsteenmantel, slechts hier en daar met wat Boheemsch kristal en oud-Delftsch verlevendigd — al dat zware, massief belijnde in zijn doffe, donkere tinten — scheen het weinige licht nog op te slikken, te verzwarten de schaduwen in de hoeken en het relief van het houtsnijwerk, waartusschen alleen de koperen ringen en handvatsels nu en dan met spichtige flikkeringen in de oogen vonkten.

In volstrekte disharmonie met de strenge somberheid van het geheel was de groote tafel, die, overdekt met papieren, boeken, cahiers, inktkokers, schoolbenoodigdheden van allerlei aard, te aanschouwen gaf de grootst denkbare wanorde, die er niet op verbeterde, wanneer de jongste der knapen, nu en dan opspringend, met zenuwachtige drift iets zoekend, alles nog meer ondersteboven wierp.

„Bart, houd toch op met dat gezanik!" zeide eindelijk de in zijn werk verdiepte oudste jongen, toen ten slotte zijn broeder onverwachts met de vuist op zijn schrift sloeg en daarna, met de ellebogen op tafel, zijn hoofd vastgreep en op zijn werk staarde als een beeld van vertwijfeling.

Barthold, toen de ander dit zeide, keek zonder van houding te veranderen één ondeelbaar oogenblik naar zijn kant, met

Sluiten