Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

politie maar een vrij groote militaire macht is op de been. Een formeel volksoproer!"

„Een volksoproer! Hoe dat en waardoor? Wat is er

gebeurd ? "

„Niemand weet precies wat de eerste aanleiding is geweest. Een betooging van werkstakers geloof ik, op touw gezet door socialisten of anarchisten, of hoe die lui heeten mogen, ergens in de buurt van de Jordaan. Reeds in het begin van den avond moeten daar ongeregeldheden voorgevallen en opruiende liederen gezongen zijn, zoodat de politie tusschenbeiden kwam; en zoodoende raakte de boel aan den gang. Ik was met een kenni3 op den Dam, toen een hoop Jordaan volk stroomde den kant op van het Waterloo-plein, waar men zeide dat hevig gevochten werd. Toen ben ik voor de aardigheid meegeloopen om te zien. En er werd geducht geranseld en gehakt van beide kanten. Overal plassen bloed op straat, en dat heeft geduurd totdat de militairen aanrukten."

Hij stond dit te vertellen met een zekere gewilde onverschilligheid, de handen in de zakken, een lang opgeschoten slungelachtige jongen, die sensatie-verhalen doet op een toon, alsof'het alles dood natuurlijk is en het hem hoegenaamd niet schelen kan. Maar aan* zijn vader ontging het niet dat hij bleek zag en dat zijn mondhoeken nu en dan zenuwachtig trilden.

„ Je moet het me allemaal eens geregeld vertellen, Bart, maar ga eerst even aan moeder zeggen, dat je thuis bent. Zij maakte zich een beetje ongerust over je lang wegblijven. Maar geen woord tegen haar over dat vechten, hoor!"

Barthold liep met drie treden tegelijk de trap op en maakte de slaapkamerdeur open.

„Ik ben thuis, moeder.... ik had me wat lang in de stad opgehouden."

Ik hoorde je binnenkomen!" klonk het verheugde antwoord. „Is dat nachtbraken! Ga nu maar gauw slapen."

„Nacht, moedertje, wel te rusten."

„Ik geloof, dat al het grauw van Amsterdam op de been is," zeide hij, bij zijn vader terugkomend, en langzamerhand met meer animo sprekend. „ Zij kwamen letterlijk overal als uit den grond op, en toen de politie-agenten de sabels trokken regende het straatkeien, die zij zoo maar met hun nagels uit den grond opkrabbelden. Welk een bende, dat janhagel uit de achterbuurten!"

„En was jij daar nu tusschen?" vroeg Meryan schijnbaar kalm.

Sluiten