Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weet je wat je gaat met mij mede om het waarschijnlijk

al te bereidwillig gekakel van je hospita te ontloopen. Je trekt voorloopig wat kleeren van mij aan, en dan praten we er nog wel eens over."

Barthold zeide niets, maar liep naast hem voort met koortsige bevingen over het geheele lichaam, de polsen nog als gekneusd door de stalen greep die hem had bedwongen, en zoo kwamen zij zwijgend aan het huis waar Robert kamers had. Deze ontsloot de voordeur, ging hem voor, de trap op, bracht hem in zijn slaapvertrek en stak er het gas aan.

„Ziezoo, maak je nu eerst wat lekker, daar zal je wel het meest naar verlangen. Hier heb je een tub waar je wel in verdrinken kunt, en water en waschgerei en de heele rommel; en daar is mijn kleerkast, haal er maar uit wat je noodig hebt. Onderwijl steek ik hiernaast vast een sigaar op." -

Barthold sprak nog altijd geen woord, maar het zien van water bracht hem reeds eenigszins tot zichzelven. Hij haastte zich van de verkregen vergunning gebruik te maken, begon met zijn gloeiend hoofd onder te dompelen en schuurde, boende en borstelde als een bezetene om het afschuwelijk vocht te verwijderen. En al dat plassen in het koude water voltooide het bedaringsproces, dat bij de woorden van Robert Kant reeds een aanvang had genomen.

Toen hij eindelijk klaar was, geheel verfrischt en gestoken in een zeer dandy-achtig ruig grijs complet van zijn nieuwen vriend, ging hij naar de aangrenzende kamer, waar deze, op zijne chaiselongue uitgestrekt, even rustig en behagelijk lag te rooken, als waren zij den geheelen avond in een gezellig discours verdiept geweest. Wijn en glazen stonden gereed, vroolijk stroomde het licht uit de gaslamp op tafel.

In de beide vertrekken heerschte een weelderige comfort zooals men die op studentenkamers zelden aantreft.

Barthold ging naar zijn gastheer toe en gaf hem de hand.

„ Ik dank je van harte. Je hebt goed gedaan me tegen te houden. Er zou een ongeluk zijn gebeurd!"

„Ja, daar zag je ten minste wel naar uit...." zeide de ander koeltjes. „Een verbazende driftkop schijn je te wezen, en dat 0111 zulken onzin. Maar maak het je nu eerst wat gemakkelijk en neem een luien stoel, en steek een sigaar op. Wel, dat is zonderling," vervolgde hij in liggende houding even het hoofd naar hem toe keerend. „ Mijn plunje past je beter dan je eigen kleeren.

Sluiten