Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke hem te meer moest treffen na de wijze waarop zij vroeger met hem had omgegaan. „ Ik dacht het wel, ik heb haar gekwetst !" zeide hij bij zichzelven. En dit hinderde hem geweldig, meer nog dan hij geneigd was zich te bekennen. Toch wilde hij niet in tegenwoordigheid van anderen op het gebeulde in den

moestuin terugkomen.

Er waren een paar kennisjes van Baby op Rustoord gelogeerd .... de meisjes Warna — de twee jongsten van zes zusters — erg druk en vroolijk en lacherig, waarmede hij wel eens gekheid maakte of tennis speelde, als de beleefdheid het vordeide, maar die hij tamelijk vervelend en aanstellerig vond, ze in stilte vergelijkend bij Carla, zoo kalm en gereserveerd. En allen droegen zij vogeltjes op hun hoeden.... Alida zelfs drie naast elkaai. Het geleek wel een kerkhof, vond hij. Het was hem een walg, maar tegen haar of die andere meisjes zou hij nooit iets er van zeggen. Voor zijn aanstaande schoonzuster had hij niet veel sympathie. Hij vond haar zoo groot en zoo grof en zoo zwart, en bovendien hinderde hem haar blinde adoratie voor Johan, aangaande wiens karakter hij zich bezwaarlijk illusiën kon maken. Johan, zoowel als hijzelf, waren zich bewust dat de afstand tusschen hen steeds grooter werd, en namen dus zoo weinig mogelijk notitie van elkander. In menig opzicht kon hij vrede hebben met Johan's huwelijk. Een zacht, liefelijk, hem sympathiek we'.en zich te zien hechten aan eene natuur als de zijne zou hem gerevolteerd hebben. Te denken bijvoorbeeld dat een vrouw als Carla Johan hadde liefgehad, dat een vrouw als zij zich hadde te pletter kunnen stooten tegen het koude marmer van zijn egoïsme! Haar teere blondheid was voor hem het symbool van haar innerlijk wezen. Meer en meer ging hij haar bewondeien. Alles aan haar bekoorde hem. Zelfs het zwart dat zij altijd dioeg, kon in zijn oogen niet met de schoonste tinten wedijveren. Alles wat niet zwart was, begon hij leelijk en smakeloos te vinden. De fijne doorzichtige kanten plooiden zich in gewillige lenigheid om haar, als begrijpend het genot die liefelijke gestalte te mogen omvatten. En het liefelijkst van alles wat aan haar was, vond hij het eenvoudige hoedje dat zij nu altijd droeg — dienzelfden zwarten stroohoed voor hem onvergetelijk en die nu prijkte met een tuiltje veldbloemen. Want alleen op haar hoeden droeg zij meestal iets gekleurds, omdat zij wilde toonen niet in den rouw te zijn, maar uit verkiezing altijd zwart te dragen. Het was hem alsof die hoed een geheimen band vormde tusschen haar

Sluiten