Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

systeem in beweging brengt, de handen in den schoot legt, de kapitalisten geen rente meer genieten, handel en industrie stilstaan, de weelde door honger wordt vervangen en de machtelooze bezitters sidderen van angst in hunne paleizen. In werkelijkheid zijt gij heerschers, hoewel gij u als slaven laat vernederen. Maar dieper vernedering nog dan door den geesel van den honger wordt u aangedaan door hen, die u willen bewegen in 'slands wettenfabriek samen te werken met uwe bitterste vijanden.

„Wat zoudt gij zeggen tot iemand, die de wolven en schapen bij elkaar in één stal zou willen sluiten?

„Welnu, daartoe worden de schapen uitgenoodigd!

„ Maar vergeet nooit dat het wolven moeten zijn die u aldus lokken, die u trachten diets te maken, dat bij de wolven uw heil is en uw redding."

Een zoo woest donderend gejuich volgde op deze slotwoorden dat het was als zouden de muren invallen. Het brak los als een uitbarsting van lang bedwongen hartstochten, en scheen niet meer te willen bedaren. Rustin daalde inmiddels het podium af en ging weer tusschen de menigte, met zijn grijze oogen, waaruit een scherpe gloed lichtte, flxeerend zijn vijand, den man die het eerst de scheuring tusschen de partijen had in het leven geroepen. Martalis had, terwijl hij sprak, druk zitten schrijven en maakte zich gereed te repliceeren.

Toen eindelijk het gejuich bedaarde, wendde de voorzitter zich tot de vergadering met de gebruikelijke vraag of nog iemand anders het woord verlangde. Daar geen enkele stem zich verhief, gaf hij Martalis een wenk.

Deze stond op, trad naar voren, maar nauwelijks werd de eerste syllabe door hem gearticuleerd of een oorverdoovend gesis en geschreeuw overstemde hem.

Het eerlijk gezicht van den voorzitter werd paarsch-rood van drift. Hij trachtte door een aanhoudend gehamer de orde te herstellen maar te vergeefs. Wel waren er enkele mannen in de zaal, die, blijkbaar medestanders van Martalis, met heftige gebaren de rumoermakers tot stilte poogden te brengen, maar bij de overgroote meerderheid was de opgewondenheid ten top gestegen. Niemand wilde luisteren, en zoodra Martalis, die rustig den storm aanschouwde, slechts even den mond opende, begon het lawaai weer van voren af aan.

En toen plotseling gebeurde er iets wat de geheele tierende menigte met stomheid sloeg.

17

Sluiten