Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV

Als voor mijn oog mijn droomen een voor een Langs trokken als een lange karavaan Vermoeide slaven, die de mulle baan Gebukt aftreden, stom ten kimmen heen

De blikken richtend met een dof gesteen; — En 'k dacht dan dat dus ètlle droomen gaan, Ook die nog komen, en me ontviel een traan, Die heel mijn zijn-zelf te beweenen scheen: —

Dan troostte 't mij dat ik niet arm kan zijn, Zoolang gij rijk zijt en 'k u in mij draag, En andren zeggen kan: zie, dat is mijn!

Wat deert mij dan dat ik om droomen klaag, Die werden wat zij zijn, een schoone schijn, — Daar gij mij rijk maakt zonder dat ik vraag.

Sluiten