Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLIII

Zooals een vroom man in een heidensch land Zich toont op plein en beurs in landsgewaad, En stalt zijn waar voor 't huis en dingt en praat Aldoor, om wereldsch goud, met vreemde en klant ;

Maar sluit dan 't huis met luiken en hij brandt Zijn zilv'ren lamp met olie en 't gelaat Wordt bleek bij 't geel brevier, dat openslaat Met donk're bladen sidd'rende in zijn hand: —

Zóo ga 'k door al het volk, op straat en plein, Onwijsheid kwanslend, juist als hij en zij:

Sprekend met vreemden, die ik nauw versta:

Maar 's avonds lees ik in den gelen schijn Der lamp 't boek onzer liefde en bid dat gij Mij lief zult hebben tot ik sterven ga.

Sluiten