Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Saam rustten op het hooge leger. Toen,

Wijl met het doornen van den bleeken dag, Van ver nog omziend, door de bosschen heen, Zeus' lichtende gestalte heerlijk week,

Bloeiden haar trekken zachtjens uit elkaar,

Licht met de kussen van God Kronos' zoon. En zeeg'nend schreed zij heel het eiland door, En in des landmans hutten zat zij néér,

En óveral liet zij haar gouden gaaf,

De korrels koren vallen in de voor.

Tot op een plaats, waar wind en bloemen zijn, En koele boomen over 't vlietwater,

Zij Kora baarde en zoogde en groeien zag: Tusschen de bloemen met haar rozevoetjes, Op aarde, een Godenkind; — kind tot het uur Dat zij door 't woud ging en den nimfenstoet

Volgde met zachte stappen op 't gebloemt

Stil zat zij in de stilte rondom haar,

En merkte niet, hoe somtijds tusschen 't loof

't Gelaat van nimf of satyr overboog,

Die, haar daar ziende, een oogwenk ernstig werd,

En stil weer wegdook in het donk re woud.

Sluiten