Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En op een gracht liep, waar de mist langs toog, Op een Novembermorgen : de wind lag Roerloos over de stad: zóó was 't in mij.

En 'k zag ze naad'ren en ik hoorde 't blij Geluid der stemmen en mijn oor vernam, — Wee mij, dat het vernam! — elk woord dat kwam Van ü, helaas! als al wat in mij spreekt: —

Van u, maar niet van hem, dien 'k had gemaakt, 't Beeld dat ik had gemaakt in menschenwaan, 't Prentje, waarvan 'k mijzelf had voorgepreekt, Dat gij het waart, en waar 'k om had verzaakt Uzelf, m ij n zelf, dat niemand kan verstaan : Van u, mijn onbewuste Zelf, mijn Ziel

Der ziel, Leven mijns levens, lamploos Licht, Dat in schoone geheimnis altijd gloort, En brandt in 't duister, daar het eens in viel,

Deez' aard, deez' stof, die voor mijn blind gezicht U overschijnt, wien alle schijnsel hoort.

Vergeef! ik kan niet weten wie gij zijt,

Ik zie het eind niet van wat eeuwig blijft: 't Bewuste onthult het onbewuste niet: — Wij leven en vergaan, gij zijt altijd;

Sluiten