Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

De toorn krieuwt in mijn keel: ik kan 't niet smoren, 't Verdriet niet kroppe', als 'k zuiplappen en vraten Zie worde' uit kunstnaars, die hun kunst vergaten, Hun lijf stuk-fuiven en hun ziel vergoren.

Ik weet: mijn Kunst moet een rein lijf toehooren :

Geen mond, die zelf-voldaan gaat dwaasheid praten, Eer 't werk gedaan is, en geen ziel vol gaten,

Waar 't leven uitloopt, voor de Kunst verloren.

Een kunstnaarslijf is een paleis op aarden :

Genoeg dat 't staat in modder van veel menschen !

Laat het niet vuilen in üw drek van zonde!

Ook 't schoonst paleis gaat aan dat vuil te gronde; En wie 't bewoont, de ziel, die 'k schoon zou wenschen, Heeft voor de Kunst, waar zij voor werd, geen waarde.

Sluiten