Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

Komt nu, bedroefden! al wie raad'loos klagen!

'k Bèn niet de Schoonheid, maar 'k zal voor Haar spreken, 't Bewijs ? 'k Geef u mijn woord-zelf als een teeken, Dat Zij mij zond en gij mij raad moogt vragen.

Gelooft alleen maar dat zij alle dagen

Kan troosten al wie, lijdend, Haar aansmeeken, En woorden weet, die 't lachen door doen breken Om monden, toegeschroeid door aardsche plagen.

'k Kom nu niet troosten. Maar 'k kom u zóo maken, Dat gij rijp zijt om straks getroost te worden: — Gij zijt nog niet wat zulken moeten wezen.

Uw monden twijfel-lachen, die voor dezen Nooit lachten, maar — vergeefs — kreten of morden: — Tot wie gelooven zal de Trooster naken.

13

Sluiten