Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben ze me nagelaten, een mager kostgeld voor dertig malen op een dag en tien slokjes — een schraal hapje voor iemands natuurlijke behoeften. O, ik ben van een koninklijke familie. Mijn grootvader was een Banketham, mijn grootmoeder was een Okshoofd Bordeaux, mijn peten waren Piet Pekelharing en Maarten St. Maartensbiefstuk. O, maar mijn petemoei, dat was een lollige dame, en iedereen hield van haar in iedere stad die wat waard is; haar naam was mevrouw Margaretha Maartbier. Nu, Faustus, nu hebt ge mijn heele familie gehoord, vraagt ge me nu ten eten?

faust. Nee, ik zie je liever hangen; je zou al mijn eetwaren opmaken.

gulzigh. De Duivel worg je.

faust. Worg jezelf, schrokop! Wie ben jij — de zesde ? traagh. Ik ben Traagheid. Ik ben geboren op een zonnigen beek-oever, waar ik sints dien tijd ge legen heb; en ge hebt mijn gezondheid verschrikkelijk veel kwaad gedaan door me daar vandaan te halen: laat me er weer heendragen door Gul-

Sluiten