Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ridder. Hij ziet er waarachtig wel uit als een toovenaar.

(Ter zijde).

faust. Mijn genadige vorst, ofschoon ik bekennen moet minder te zijn dan de roep, die van mij tot u gekomen is en de eer niet waardig, die uwe Keizerlijke Majesteit mij bewijzen wil, — zoo zal ik toch gaarne, want plicht en liefde doen mij dat schuldig zijn, alles voor u verrichten wat uwe Majesteit mij bevelen zal.

keizer. Dan, doctor Faustus, luister wat ik zeg;

Laatst, toen 'k alleen was in mijn slaapvertrek, Had 'k allerlei gedachten over de eer,

En ouden naam van mijn voorvaderen.

Hoe zij zoo dapper streden, daar en daar,

Dién rijkdom roofden, rijken onderwierpen, Zooveel, dat wij opvolgers, of degeen',

Die na ons zitten zal op dezen troon,

Nooit (vrees 'k) zal kunnen klimmen tot dien trap Van hoogen naam en trotsche heerschappij; — Van welke vorsten 'k Alexander noem,

Groot schouw-tooneelvan wereldsche uitstekendheid, Wiens roemrijk doen, als met een klaren glans,

Sluiten