Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Meneer" zat boven.

Ver in het donker van den hoek, waar ook het nog sluimerend smidsvuur lag, was een lage deur, die naar een gangetje en de door den L-vorm van de werkplaats half omgrepen keuken voerde.

Boven die keuken als halfgezakt door de bindlaag, krottig doch tevens met den hoekig-zwaren bouw van eeuwen geleden, was een klein kamertje uitgespaard. Daar zat meneer, een zoon van vader, en het kind van de lang geleden gestorven eerste vrouw van den ouden smid. Nooit zag Job hem anders dan bij de maaltijden en nooit hoorde hij iets van zijn stil speculatief leven op het bovenkamertje in de overdag altijd geluidvolle werkplaats. Maar nu in de ongewone stilte, terwyl Job de scherpe kanten en glad gewerkte vlakken van stukken ijzer bevoelde en zoo afscheid nam van een groot karwei, drong tot de zwartige nog even verlichte ruimte, de stem van „meneer" door en vernam Job, hoe hij verzen opzei. Met licht merkbare monotonie en een melancholisch aanhouden van een enkelen toon, maar hoog en scherp geaccentueerd door de weeke falset-stem, wandelden de versregels, vreemde

Sluiten