Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik wil jelui er onder hebben, omdat ik je haat. Je bent ploerten, je bent van dat volk dat niet beter verdient. Ik wil je weg zien zakken, ik wil je zien bedelen, en als je bedelt dan zal je van mij niets krijgen, dan een trap . . . Jij, en Job en Nol en Her ... Je zit onder mijn duim ; ik heb je in mijn macht, zonder mijn geld en mijn teekenen ben je niks waard, bent jelui schooiers. Je hebt me lang genoeg gesard. Je had me dood willen hebben om mijn geld, maar dat zal je nooit beleven ..."

„Anton, Anton", riep moeder lamentabel er tusschen, in doodsangst dat er ook nog een ander nijdig zou worden en zeker dat het dan op moord zou uitloopen . . .

„En nou ... ga ik weg ... en nou kom ik nooit weer terug ... en morgen zal ik sturen om mijn geld ... je zorgt dat het op tafel ligt ... anders zal je zien wat ik doe ... En nou ga ik weg."

In een paroxisme van zwakkelingsdrift herhaalde hij de laatste woorden, het mes neersmijtend en toen rennend naar de deur.

„Och God, nou zijn we ongelukkig", riep moeder, zoodra de kamerdeur dicht gevallen was.

Sluiten