Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de toonbank van Lien treurde nu het gezin, vader en de drie zonen, de droefheid van hun thans zoo ledige dagen uit. Voor vader was de gedachte, dat zijn zaak te gronde zou gaan, een ware obsessie geworden. En zóo zag dan ook ieder zijn lijden aan, dat telkens weer een andere vriend-van-het-oogenblik hem deelnemend vroeg, of er wat aan scheelde. Soms stond vader dan op ; zijn mank been kromde pijnlijk van de jicht bij het moeizaam geworden loopen; hij deed een paar stappen en met ongewone openhartigheid ging hij dan aan een onbekende de heele geschiedenis van zijn verdriet verhalen. Hij begon dan met een voor het geval pasklaar gemaakte filosofische bewering. Zoo iets van :

„'t Bloed loopt.... wil ik 'ns zeggen, in een kringetje .... zie je." En met beide, in zijn zakken diep geborgen handen haalde hij zijn broek een beetje op.

„Zoo!" kwam dan de ander in afwachting. Dan schraapte vader zijn keel en spuwde op den grond.

„In een kringetje . . . zie jij het maar eens terug te houden."

Sluiten