Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zeg maar te plagen of te sarren, te treiteren liefst, — viel Jan Karper, wien de bloemengeur der kazerne reeds begon aan te waaien, den spreker met een klimax in de rede.

— Daar moet men tegen kunnen, het dient ter afwisseling in de eentonigheid van het dagelijksch „zaken" doen — merkte de afgezant droog komiek aan. — Overigens is 's Gravenoord een aangename stad, er is wel geen vertier, zooals in Amsterdam, maar wie zich weet te amuseeren, vindt er alles van zijn gading.

Jan Karper kon niet nalaten zijn voorlichter te vragen waarom de hoofdstad zulk een aantrekkingskracht voor hem bezat, immers hij was er niet of kwam er weer.

— Zaken, meneer, zaken, was het afdoende antwoord.

— Van „zaken" gesproken, meneer Hengelaar Senior, . . . hoe wenscht men het bedrag der f 5000.— aandeelen geregeld te zien ? Daar het als entree de campagne moet dienen, is onmiddellijke storting zeker vereischte?

— Hebt u het geld bij u ? Ik verwacht mijn broeder ieder oogenblik ... overigens zal h ij dit wel met u uitmaken. Als wij intusschen eens naar het Bible-hotel gingen waar ik logeer . . . misschien is de directeur er al gearriveerd. Ik breng u naar de receptiezaal van het hotel, wij zullen dan zien hoe wij den tijd verder dooden (!)

Zoo gezegd zoo gedaan. Het was inmiddels twee uur geworden in den namiddag. Mij ter plaatse hebbende geïnstalleerd en den broeder niet aldaar aantreffend, schoot het mijn geleider eensklaps te binnen, dat hij eenige noodzakelijke besognes ter stede van Groot-Mokum had af te doen.

— U blijft dus voorloopig hier — sprak de afgezant — hoogstwaarschijnlijk treft u aanstonds mijn broeder. In ieder geval ben ik binnen een goed half uur terug. Tot straks!

Rhodeso-Neerlandica.

3

Sluiten