Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik mij, gezeten aan het raam, dat uitzicht geeft op het Rokin, in deze zeer waarschijnlijke mogelijkheden zit te verdiepen, verneem ik plotseling een levendig gesprek en kort daarop vertoont zich een rossige weerschijn in de half openstaande glazen deur.

Daar trad hij binnen, de hoofdman in persoon. Maar hoe norsch en afschrikwekkend was nu de uitdrukking van zijn gelaat. Blijkbaar verkeerde hij in een booze luim. Het had er al het air van alsof de schutter op klompen hem den rooden duivel in het lijf had gejaagd. Zoodra kreeg hij Jan Karper niet in het oog, of op een toon, die mij als gisteren heugt, als had ik een kwajongensstreek uitgevoerd, kwam het van onder den nijdigen snorrebaard: „Zoo, meneer Karper, ben je daar weer!" en hij rukte een stoel naar zich toe, alsof hij een denkbeeldigen tegenstander er mede te lijf wilde gaan.

Die houding, een dergelijk manhaftig optreden, gaf mij moed. Geen hand werd uitgestoken. Jan Karper, die bij al zijn domheid nog het gebrek heeft van kort aangebonden te zijn, als hem een tergende onbillijkheid wedervaart, werd ditmaal van den terugslag dood kalm. Het wilde hem voorkomen, dat de kwade bui niet zoozeer hem als wel een derde gold. Wel zag hij, dat de diplomatie had afgedaan en de sabel aan het woord was. De schutterkapitein, niet de uitgever-directeur, stond voor hem, in groot tenue. — Ja, — zei Jan Karper, op den natuurlijksten toon dien hij vinden kon — sedert van morgen negen, en nu is het zes uur, ben ik wachtend op u. —

— Men laat mij ook wachten, meneer Karper, en dikwerf tegen mijn zin. Dat heb ik vandaag weer moeten ondervinden. Maar kort en goed, aan dat gedonderjaag ('s mans geliefkoosd stopwoord) moet nu maar een einde komen. Ik heb u f 1500.— salaris toegezegd, mijn broeder

Sluiten