Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ping! ping! ... Dat zal het zijn. De Jingo vliegt als een pijl uit den boog naar voren.

Vastgestelde signalen, begin ik te begrijpen. Er verloopen nu tien minuten, alvorens de AlgemeeneReferendaris zijn zitplaats weer heeft bereikt.

Kling! kling! kling! — Ah zoo, komaan, eindelijk. Het lijkt er niet naar. De kort geknipte neef beweegt zich, staat op, knipt in 't voorbijgaan mij een oogje toe en wandelt met afgemeten tred op de directie-kamer aan. Hij steekt het hoofd even tusschen stijl en deur. Ik hoor hem zeggen „Present!" Een kort gemompel, de neef komt terug, en —

Ting! — Nu .. dat is voor mij. —De gele man daalt van zijn kruk, werpt een zijdelingschen blik op Jan Karper, die links en rechts zit te draaien op zijn stoel. Loom en schoorvoetend, naar den grond starend, stapt deze één-slaggesignaleerde het voorvertrek binnen. Hij blijft daar een vol kwartier, Terug gekomen, geeft hij den jongen een wenk in de richting van Pieter Hengelaars heiligdom. De loopjongen springt op als een aangeschoten haas, rukt de deur der voorkamer open, als moest deze van haar hengsels af, blijft in eerbiedige houding een oogenblik staan, keert zich aanstonds om, en, op mij afkomend, zegt hij met een komieke beweging:

— De heer directeur verzoekt u binnen te komen.

De exercitie en het défilé ter imponeering waren afgeloopen.

De groote St. Jacobs kerktoren speelde kwart over elf.

Sluiten