Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is toch geen brand ... en evenmin kan die haastig gebakerde schuw zijn voor de regenvlagen, want hij staat onder een zoogenaamd portiek. Terwijl ik een en ander overweeg, valt de dienstbode met deur in het vertrek en overhandigt mij een kaartje met de boodschap: — meneer, de man die dit briefje brengt, wacht op antwoord.

Ik las:

Kom heden avond of morgen vóór 12 uur in het Biblehotel — moet u noodzakelijk spreken.

Jan L. Hengelaar Senior.

De broeder- afgezant en afronder van alle netelige zaken. Een nieuwe verassing. Het zaakje is toch geklonken en geheel in het reine, zou ik meenen. Is er ter elfder ure werkelijk een kink in den kabel gekomen ? Wie weet of de antwoorden op het examen-formulier wel volmaakt in den geest van de Hengelaars zijn uitgevallen, en heeft men zich dus, intijds nog, bedacht.

Ontveinzen zal ik niet, dat ik mij betrapte op eene gewaarwording, half van stille hoop op een afspringen der zaak en half weer van onvoldaanheid, als het werkelijk zoo eens was. Toch meende ik maar niet zoo aanstonds weer klaar te moeten staan en aan de oproeping van Jan Hengelaar op staanden voet gehoor te geven. Amsterdam trok dezen te innig aan, hij scheen er sedert niet uit te zijn geweest. Derhalve toog ik des anderen daags naar zijn logies.

— Meneer Karper, hebt u met den wissel van f 5000.—, gisteren door u aan mijn broeder ter hand gesteld, in uw adviesbrief aan betrokkenen soms eene reserve gemaakt? — luidde Jan Hengelaar's dood-leuke vraag, terwijl hij mij achteloos de twee voorvingers toestak der linkerhand.

Sluiten