Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toon, want het hinderde hem, na zooveel kantoorervaring, geen zweem van of in het geheel geen collegiale deelneming te ontwaren, onder mannen, van wie hij mocht onderstellen, dat zij de wereld en het leven evengoed kenden als hij zelf. — Mijn naam is Jan Karper, ik zal het voorrecht hebben met de heeren te mogen samenwerken.

De heer Verkerker, als de oudste, meende nu toch het initiatief te moeten nemen en trad op hem toe met een beschermend: — Zoo zoo, weet u ook wat van administratie ? Wel, wel, zoo, zoo ... — en sukkelde weer naar zijn schrijftafel van chef-de-bureau, zegge bewaker van het onder zijn eigenaardig toezicht geplaatst personeel. Na hem daalde de heer Glazenkamp van zijn kantoorkruk. Hij nam Jan Karper op als een vreemdsoortig dier, met blijkbare voorwetenschap, dat deze als zijn opvolger bestemd was in de twijfelachtige positie waarin hij, Glazenkamp, van de oprichting af der Rhodeso-Neeklandica, had verkeerd. Op ironisch-sarkastischen toon promoveerde hij den heer Verkerker tot Onder-directeur, wat diens leeftijd, familiebetrekking en „surveillance" betrof, het overige, zeide hij, moest ik zelf maar begrijpen.

— Neen — meende de heer Franssen, die zich als zoodanig kenbaar maakte, — ik ben hier de briefschrijver en letterknecht op kommando, — maar het feitelijk gezag zetelt in dezen langbeenigen klerk (kom sta eens op, meneer Jingo.) Ik heb de eer, meneer Karper, u voor te stellen den eerst-aanwezend ambtenaar, eervol gepasporteerd Wachtstube Unterofficier, zur Befehl, Herr Hauptmann! daarbij gewezen belastinggaarder en ci-devant kweller van de lieve schooljeugd, de hoop des vaderlands. You never forget (blies de heer Franssen mij op veel beteekenenden toon in het oor) he 'sthe governor's right hand, the very man in this comedy of errors).

Sluiten