Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de zich ontwikkelende Zuid-Afrikaansche Republiek, maar dat tot heden den doop niet heeft ontvangen, omdat het Weekblad nimmer het licht heeft aanschouwd.

In den avond van dien dag werd de employé-aandeelhouder in het Noord-Hollandsch Koffiehuis te's Gravenoord door den Senior Hengelaar aan een van diens vrienden voorgesteld als „onze redacteur".

En Jan Karper toog verder met stalen vlijt onverdroten aan den arbeid. Hij compileerde een „lijstje" van boekwerken, dat na veel bieden en loven, over en weer, eindelijk door Hengelaar Junior hectographisch-^ï/?^ werd verklaard. Hij verzamelde en verwerkte boekbeoordeelingen, recenseerde met de geleende veeren, alsof hij een kriticus was bij uitnemendheid en alle boekengeleerdheid was ontsproten uit eigen brein. Hij schreef bladzijden vol, tot in den treure, van kritieken, die tot heden op het druckfahig wachten en in afwachting ervan zullen verblijven, omdat zij niet meer behooren tot het gebied der actualiteit. Het waren stijloefeningen op groote schaal, waarbij hem gegund werd een blik te slaan in de schatkamers onzer moderne litteratuur en zijn geest te verzadigen aan den onmetelijken rijkdom op dit hedendaags onafzienbaar veld. Nu en dan waagde hij het de vruchten van zijn onderzoek den directeur Hengelaar ter keuring aan te bieden, en mocht dan steeds het typisch bescheid ontvangen: „Ja later, later, ik heb nu voor zoo iets geen tijd!"

Dat „later" kwam nooit, want volgens de eigen verklaring van den directeur, zat het Weekblad in een zak, en in dit omhulsel is het, zooals gezegd, gebleven tot den huidigen dag.

Sluiten