Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wie rept hier van tijd? De heeren weten zeker niet, dat de tijd aan mij behoort.. . Meneer Franssen, waar is u aan bezig?

De kapitein was over de valreep aan boord gestegen.

— Ik geloof aan den brief voor Leuterboer — antwoordt de neef, schijnbaar onvervaard, want op een maildag was hij gewoon een hartsterking te nemen, om bestand te zijn tegen het schrikwekkende der „herrie", als de wind begon op te steken en de storm weldra gierde door het krakend want.

— Dat eeuwig uien tappen moet uit zijn, meneer Franssen, dat gedonderjaag wordt vervelend, begrijpt u? Ik ga even uit, heeren, en ben over een kwartier terug.

— Tappen . .. uien tappen — begon Franssen met een kenmerkend lippengeluid — als 't nog „een taaie" was, hé Jingo? maar uien, bah! Hengelaar gaat 'm pakken, om steady te staan aan dek.

— Nou, ik geloof dat jij 'm vandaag weer aan 't raken bent, of heb ik 't zoo mis? Hé... afgedonders ja, daar valt me wat in! — roept Jingo opgetogen — me dunkt zoo'n man in bonis, als meneer Karper, voor wien we toch met z'n allen hier werken, mocht wel eens over de brug komen. Toe, ouwe, geef een half kruikje, een Hulstkampie, 't kost maar zestig centjes. Daar Iaat je je toch niet aan kennen, hé?

Jan Karper dacht: als ik met de wolven meehuil en den Jingo, die het er op gezet heeft mijn verklaarde vijand te willen zijn, met jenever temmen kan,... 't is te doen, te probeeren. Laat zien.

En de loopjongen werd uitgezonden om het Schiedammer vocht. De gewezen kerker-directeur, die strengen last had te waken tegen dergelijke overtreding van tucht, scheen bij het vertrek van den schoonzoon, over zijne

Sluiten